Beatrice Oosterhoff

Dagboek van een kandidaat raadslid

Met de hand op het hart

20 februari 2022

Als iemand verkozen wordt tot raadslid, dan moet een eed afgelegd worden. Wat houdt dit in, en wat is een eed eigenlijk? We hebben een mooi voorbeeld uit onze geschiedenis: een eed uit het jaar 1565, vlak voor de tachtigjarige oorlog, voordat Nederland een koninkrijk was. Hier het verhaal erachter:

Koning zet adel aan de kant, de adel pikt het niet

De Nederlandse edelen stonden in de jaren zestig van de 16e eeuw voor een dilemma. Er moest een keuze gemaakt worden. Want moesten ze doen? Trouw blijven aan de eigen politiek van tolerantie tegenover de protestanten? Of trouw blijven aan de Spaanse koning Philips II die met zijn Inquisitie de protestanten vervolgde?

Nederland was toen nog geen onafhankelijk koninkrijk, maar onderdeel van het grote keizerrijk van Karel V. Na diens aftreden in 1555 bestuurde zijn zoon Filips II de Spaanse gebieden van het keizerrijk, waar de Nederlanden onder vielen. Filips besloot om de Nederlandse edelen zo veel mogelijk te vervangen door een legertje ambtenaren. Het gevolg was dat de edelen een deel van hun macht en hun inkomen kwijt waren. Hoe gingen ze dit aanpakken? Daar was een kartrekker voor nodig. En dat was de edelman Hendrik van Brederode.

Adel sluit verbond en legt eed af

Van Brederode sloot zich in 1560 bij de boze groep edelmannen aan. Hij was al kritisch op de rijkdom van de katholieke kerk: het volk bleef arm terwijl de geestelijken er warmpjes bij zaten. Maar Brederode was ook fel tegen het wreed vervolgen van Protestanten. Hij koos openlijk voor het nieuwe geloof, en liet de middel en lage adel bijeenkomen op kasteel Batestein in Vianen. Daar werd besloten een verbond te sluiten om samen aan een petitie te werken om de Inquisitie af te laten schaffen en de Protestanten vrij te laten in hun geloof. Desnoods met een gewapende opstand. Dit verbond kreeg de naam Eedverbond van de Edelen. Ze legden allemaal een eed van trouw af. Van Brederode ondertekende als één van de eersten dit verbond. En zoals gebruikelijk in die tijd werd hun eed om hun gezamenlijk doel na te streven afgelegd in bijzijn van God:

…wij hebben aangeroepen de allerheiligste God, schepper van hemel en aarde, als een rechter en onderzoeker van ons geweten en onze harten…

Hoe het afliep kun je hier lezen:  Grote Geus leidt de Opstand

De eed drie eeuwen later

Bij het aanstellen van een gemeenteraad wordt nog steeds dezelfde traditie in ere gehouden als in de 16e eeuw gebruikelijk was, maar in een iets aangepaste versie. De kersverse gemeenteraadsleden moeten net als Brederode en zijn edelen destijds plechtig beloven om loyaal aan de zaak te zijn en zich hiervoor met eer en geweten in te zetten. Vandaag de dag gebeurt dat met de volgende eed:

"Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot lid van de raad benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.

Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.

Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als lid van de raad naar eer en geweten zal vervullen.

Zo waarlijk helpe mij God Almachtig! (Dat verklaar en beloof ik!)"

Oorspronkelijk was een eed een gelofte die afgelegd werd in aanwezigheid van een hogere macht. Bij het niet nakomen van de gelofte moest verantwoording afgelegd worden aan die hogere macht. Er zou dan een ‘doem’ oftewel een oordeel volgen: een consequentie van het niet nakomen van de gelofte. ‘Moge God mij verdoemen (veroordelen) als ik dit of dat niet doe’ is op deze manier verbasterd tot een vloek. Zo’n gelofte woog zwaar, en het is dus begrijpelijk dat er bij gezegd mocht worden: “Zo helpe mij God Almachtig”.

Laat uw ja ja zijn

Er is intussen heel wat veranderd en doorontwikkeld vanuit deze oude traditie. Zoals in bovenstaande tekst te zien is, mag een raadslid voor zijn of haar beëdiging bijvoorbeeld een keuze maken om er al dan niet een hogere macht bij te betrekken. Bijvoorbeeld als je niet in een hogere macht gelooft, of wanneer je wel in God gelooft maar wilt toepassen wat er in de Bijbel staat: “Zweer geen enkele eed, niet bij de hemel, niet bij de aarde, nergens bij. Laat uw ja ja zijn, en uw nee nee, anders zult u veroordeeld worden”. Ikzelf geloof in God, en vind het Bijbelse advies van deze apostel Jacobus dus een prima tip. Daarom zou ik ervoor kiezen om wanneer ik iets plechtig wil beloven, dat eerlijk en oprecht te doen maar geen oordeel over mijn menselijk falen af te roepen als dat niet nodig is. Ik doe gewoon mijn best om mijn woord na te komen. Met mijn hand op mijn hart.

Rommeltje

Wat ik overigens wel interessant vind, is dat God Almachtig klaarblijkelijk wel door de overheid erkend wordt. Anders kon je geen eed afleggen waarbij je Hem aanroept! Je mag bijvoorbeeld niet Allah, Boeddha of Gaia aanroepen. Die worden door onze overheid, dus ook door onze gemeente Oldambt niet erkend. Gelukkig mogen andersgelovigen wel hun hand op hun hart leggen en op eigen naam plechtig beloven dat ze eerlijk, fair en naar hun beste vermogen hun taken uit zullen voeren. Een elegante oplossing. Want anders zou het maar een rommeltje worden met al die goden die elkaar voor de voeten lopen.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in als je op de hoogte gehouden wilt worden van nieuwe artikelen in het dagboek

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Copyright © 2022 Dagboek van een kandidaat raadslid
crossmenu